Kelkje

Toen ik die avond het drukke Amsterdamse café, waar de stamgasten hun verhalen al lang tot onwrikbare waarheden hadden verdronken, binnentrad, werd ik begroet met een plat-Mokums: ‘He, keil die deur effe dicht, je naimt de Noordpool mai na binne.’
Zwijgend besteeg ik een barkruk en bestelde een jonkie. De barman schonk een glaasje vol tot aan de rand en schoof het neutraal mijn Kant op.

Rechts van mij zat een middelbare druipneus met kleine oogjes zijn ongetwijfeld donkerbruine huwelijksleed zeer grondig te verzuipen. Links ontwaarde ik een zwaar belegen schoonheid met een geteisterd gezicht waarop de mascara was uitgevlekt tot een droefgeestig masker. Met drie vingers schoof ze haar kelkje naar voren en fluisterde hees: ‘doe er nog moar eentje, Jan.’
De barman knikte en leverde het gevraagde geroutineerd af.
Ineens begon ze praten.
‘Jij vroagt je netuurlijk af, woarom ik hier sit. Det kompt, me dochter is vendoag joarig. Moar ik bin niet welkom op dr feessie. Omdet ik teveel drink. Ik seg: je eige moeder de deur weigere, schoam jij je niet, ondankboar stuk vrete. Se segt, dan komp je moar apart. Ik seg: ik komp helemaal niet apart. Je bent moar ene keer joarig en det is vandoag. Nou, segt se, me friende hoeve je niet bezope te sien. Daar schoam ik me voor.’

‘Akelig,’ zei ik vaag. Want ik snapte die dochter ook.
Ze vatte mijn reactie op als een steunbetuiging, leegde haar kelkje en vervolgde:
‘Ik seg: weet jij det ik eind zeventiger joaren nog gestole heb om jau melk te kenne geve? Ik was net gescheje, stroatarm en me voader lag ook nog es in het siekenhuis an de slange vanwege de kunstmoatige voeding. Toen hep ik bij Appie een pakkie melk gejat. Voor jou. Daarom ken jij vandoag je verjoardag viere. Nou, weet je wat ze sei, me bloedeige dochter?’
Het moest een rotopmerking zijn geweest.
‘Se sei: as je niet soveel had gesope, had je die melk gewaun kenne kope. Det sei se. En toen gooide se so de deur voor me dicht. Ik janke noatuurluk. Toen bin ik moar hier goan sitte. Je moet toch wat.’
Ze zweeg. Ik ook, want er wilde maar niets troostrijks in me opborrelen.  Maar plotseling werd de stilte doorbroken door de raspende stem van de druipneus:
‘Nau wijffie, den hebben  je voader en je dochter die dag dus allebei sondevoeding gehad.’

Sommige kelkjes zouden aan je voorbij moeten kunnen gaan..

Dit bericht werd geplaatst in Fictieve verhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s