Stil

Dagboekfragment, 29 december 2010

Laat die middag stap ik in de Intercity naar Maastricht. Van daaruit is het nog een uur met de bus om in Hasselt te komen. Inclusief de Zaanse stoptrein ruim vijf uur reistijd. Goed voorzien van boeken, cryptogrammen, NRC en hete koffie, zak ik behaaglijk onderuit en lees. Buiten valt, langzaam, de schemering over de besneeuwde landerijen. Het motregent. Dat wordt ijzel. De trein dendert voort: Utrecht, den Bosch, Eindhoven, Weert.

Voorzichtig, beveelt moeder. Vanuit de bosrand steken we de hoogte over. Daarna over het bospad langs de weilanden tot aan het tweede beukenbos. Daar weet ik een prima voedselplek. Volg mij, maar wees waakzaam.


Cervi loopt, als derde in de rij van vijf, aan de staart van Cornua, zijn grote broer die al stompjes gewei heeft en bijna zo wijs is als vader. Cervi heeft een enorm vertrouwen in Cornua. Als hij stil houdt, stopt Cervi ook en maant tegelijkertijd zijn zusjes tot waakzaamheid. Cervi snuift de koude lucht op. Hij heeft honger.

Ze zijn vlakbij de hoogte. Moeder stopt en waarschuwt: Opletten. We gaan één voor één naar boven. Daarna pas oversteken op mijn teken want het is hier erg gevaarlijk. Begrepen? De anderen knikken. Langzaam gaan ze verder.

Al lopend droomt Cervi weg naar de plek waar hij geboren is en waar ze altijd hebben gewoond. Het geurige, warme nest, de sappige braam- en klimopblaadjes, lekkerder nog dan beukennootjes. Nu, met die sneeuw, moeten ze verder want er is niets eetbaars meer te vinden. Gelukkig weet moeder de goede plekjes.

Ze zijn boven. Ze kijken, ruiken. Over en naar beneden, beveelt moeder en is weg. Nu, roept Cornua. Hij kijkt niet om maar is in een paar sprongen verdwenen. Even kijkt Cervi naar zijn zusjes. Snel, snel, hoort hij Cornua roepen. Snel…herhaalt Cervi ferm en springt voorwaarts. Hij is één seconde te laat.

Een harde, doffe knal. Een schokgolf jaagt door de treincoupé. Tegelijkertijd, de trein mindert al vaart, ratelt het angstaanjagend tussen de wielen. Met flink gevoel voor understatement roept de conducteur: We gaan even kijken. Misschien hebben we iets geraakt. Even later meldt de machinist dat ze gelukkig geen mens, maar een jong hert hebben geraakt. Twintig minuten later kunnen we verder. Met excuses voor de vertraging.

Op de hoogte, in de kille motregen, staan twee hertjes en roepen klaaglijk in de duisternis. Maar alles blijft dodelijk stil.

Verslag: Cornelis Critieck 2010
Foto’s: van internet
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen non fictie. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s