Snoepje

Verdorie, zijn portemonnee. Niet in zijn linkerbroekzak. Rechts ook niet. Had hij hem dan toch…? Oh wacht, in zijn jasje. Hè, gelukkig.

Traag liep hij over het grindpad langs de kanaalkade waar golfjes zich vluchtig warm dartelden in de zomerzon. Achter een houten bankje namen wat vogeltjes een zandbad. Even was hij vertederd. Spreeuwen? Nee, die waren groter. Parkieten ook niet. Die kende hij van zijn jongenstijd. Ze zaten gewoon op zijn schouder en aten uit zijn hand. Groen en blauw waren ze.

Waar moest hij ook weer heen? Hij stak zijn rechterhand in zijn jaszak en haalde er een medicijndoosje uit. De apotheek. Een herhaalrecept. ‘Neem geld mee, je moet betalen,’ had zijn dochter gezegd. ‘Vergeet je het niet?’
‘Betalen,’ had hij geschamperd. Vroeger hoefde dat nooit. Maar dat was nu anders.
Had hij wel genoeg geld? Waar was zijn portemonnee? Hij voelde even. O, daar. Mooi.

Vroeger mocht hij altijd met zijn vader sigaren halen bij Dijksma.
‘Zo,is het weer tijd voor een rokertje?’ De oude Dijksma had altijd hetzelfde zinnetje paraat. En als vader het doosje Hofnar afrekende: ‘nou, de jongeman wil zeker wel een zuurtje hè?’ Begerig stak hij dan zijn handje uit voor een snoepje met zo’n tekst op de wikkel. Zouden ze die nog verkopen?

Tegenwoordig ging hij met zijn dochter winkelen. Leuk hoor. Alleen die aanmerkingen. Hij moest rechtop lopen, zijn neus vegen, zijn wisselgeld niet in zijn broekzak proppen. Over alles zeurde ze. Net haar moeder. Maar het akeligste was: ze werd zo vergeetachtig. Dan zei ze wel twintig keer: ‘pa, vergeet je portemonnee niet. En je pasje goed opbergen hè! Pa luister je?’ Ze zou toch niet…? Tenslotte was haar moeder ook dement geweest.

Daar was de boekwinkel. Nog vier winkels tot de apotheek. Of veertien. Wat WAS het nou? Waarom had ze dat niet meteen goed gezegd? Het was veertien! Nu wist hij het weer. Zijn pas versnellend telde hij af: …12, 13, 14, hij was er. Even voelen of zijn portemonnee… oh God, nee… wacht, wacht, de andere kant. Juist.

De deur ging rinkelend open toen hij de winkel binnenstapte. Het stokoude mannetje achter de toonbank hief zijn kale hoofdje en kraste: ‘Zo, is het weer tijd voor een rokertje? Hij glimlachte terug. Precies zijn vader, dacht hij. Vluchtig keek hij naar de aangeboden rookwaren in de vitrine. Maar hij wist het al. ‘Doe maar een doosje Hofnar, Dijksma.’

Hij betaalde met 100 euro en stak het wisselgeld los in zijn zak. Even was hij teleurgesteld. Want Dijksma bood hem geen snoepje aan. De krent! Hij pakte zijn sigaren, bromde ‘goedemiddag en liep naar de deur.
Uw portemonnee meneer,’ riep Dijksma hem het kleinood aanreikend.
‘Portemonnee? Natuurlijk,’ antwoordde hij. ‘Bedankt.’

Terwijl de zon aangenaam in zijn nek prikte liep hij langs de kanaalkade terug naar huis en bedacht vaag dat hij nog iets moest. Even stond hij stil en vond in zijn rechterjaszak een medicijndoosje. De apotheek! Ach, morgen maar, dacht hij. Ik heb nu toch geen geld bij me.

Verhaal (c) plato 2010

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Fictieve verhalen. Bookmark de permalink .

Een reactie op Snoepje

  1. Rebelse Huisvrouw zegt:

    Het zal ongetwijfeld wat overdreven klinken maar wat is dit een PRACHTIG verhaal Plato. Een juweeltje.

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s