Simpelheid

De lange, gekromde, gestalte van de oude man was gehuld in een grijze, half opengeslagen ochtendjas die, zelfs nu hij gezeten was in zijn vertrouwde leunstoel, ruim tot zijn knokige enkels reikte.
Hij droeg een te wijde, donkere streepjesbroek en zijn voeten waren gestoken in grijsblauwe pantoffels met dikke rubberen zolen.

Terwijl de tedere vlammen van de open haard de ruimte met warmte en een spookachtig licht vervulden, sloeg de man met zijn blauwgeaderde hand een pagina van het weekblad om, kuchte en keek even over zijn halve brillenglazen door het raam naar een wereld vol van witwarrelende sneeuwvlokken. Bedachtzaam dronk hij zijn hete thee.

Igor bevindt zich in een kille wereld. In zijn vaderland bedreigd, gemarteld en daardoor invalide geworden. In dit land door armoede genoodzaakt met prentbriefkaarten langs de deuren te gaan. Zo komt hij veel in contact met mensen en deuren. De eerste zijn bits en afwijzend, de tweede klappen, meestal hard en genadeloos, dicht. Het went nooit.

Soms denkt Igor in al zijn simpelheid dat de wereld toch eigenlijk van iedereen is. Maar die werd al ver voor zijn geboorte verdeeld tussen de anderen. Hij weet niet welke anderen, alleen maar dat ze aan gene zijde van een onzichtbare streep staan. En wat hij ook doet in dit vreemde land, die streep beweegt genadeloos van hem af zodat hij er nooit overheen kan stappen.

De avonden eet- en slaapt hij meestal in een opvanghuis. Soms vraagt men hem voor een spelletje kaart, maar vaak is hij zo afgemat dat hij zich al snel, zonder de moeite te nemen zich van zijn haveloze kleding te ontdoen, op zijn matras uitstrekt. De volgende ochtend, na het ontbijt, verdwijnt hij, in de wetenschap dat deze dag niet noemenswaardig zal verschillen van de andere dagen, naamloos in de grauwe klauwen van de stad.

Nijdig drukte de oude man op een belletje naast zijn leunstoel. Even later stond daar, als vanuit het niets, de butler.
‘ Everardus, voor mij nog een thee, goed heet en doe er maar een scheut rum in.’
Met een zacht ja, mijnheer verdween Everardus even geruisloos als hij was binnengeslopen.

Grimmig wierp de oude man het weekblad op het bijzettafeltje.
Verdomde rotwereld,bromde hij, met prentbriefkaarten lopen, in opvanghuizen eten en slapen. In de stad zwerven.
Hij strekte zijn handen naar de vlammen uit, sloot zijn ogen en gromde voor zich heen:
Ze moesten ze allemaal het land uittrappen, dat stelletje uitvreters.En dan met een sonore uithaal: ‘ Everardus, waar blijft potverju mijn thee?’

Verhaal: Cornelis Critieck 2010

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen fictie. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s