De hebberige aardmensjes

Er was eens een aardmannetje dat verschrikkelijk hebberig was. Hij kon niets zien of het was, in zijn ogen, al van hem. Nu was hij tamelijk slim en hij zag al snel dat de andere aardmensjes zo mogelijk nog hebberiger waren dan hij zelf. Sommigen waren even slim als hij, een paar zelfs NOG slimmer maar de meeste aardmensjes beschouwde hij als dom, hebberig en dom.

Aardmensen wonen tussen de wortels van bomen, een flink stukje onder de grond. Meestal simpele, oude bomen met knokige wortels maar toch, het was goed wonen. Waren die aardmensen echter tevreden? Nee, zij wilden allemaal een gloednieuwe boom aan de rand van het bos. En omdat deze ver weg was van hun werkplek, moesten ze ook allemaal een gloednieuw eekhoornkarretje. Nu tevreden? Nee hoor, het moest ook nog eens mogelijk zijn drie keer per jaar naar het elfen- of het buitenbos te reizen voor een heerlijk ontspannen bovenaardse vakantie. Maar ja… zulks kost een hoop goudklompjes. En wie HAD die goudklompjes? Juist.

Aardmannetje leende die goudklompjes van de elfenadel en van de spaarzame aardmensjes met goede banen. Die hadden zat en wilden voor elk goudklompje er twee terug. Geen probleem, vond het aardmannetje. Dan leen ik mijn goudklompjes uit tegen terugbetaling van vier klompjes. Nee vijf, want die hebbertjes zijn toch dom.

Zo gezegd zo gedaan. Er werd geleend tot en met en op een dag woonde iedereen onder een luxe boom en reed in luxe karretjes. Geweldige vakanties hadden ze ook. En ons aardmannetje riep heel hard: lieve aardmensjes, ik doe het allemaal voor jullie hoor. Ik ben namelijk een vreselijk goed aardmannetje. Houden jullie wel van mij? Doen hoor. En hij verhoogde met een vriendelijk gezicht het aantal terug te geven goudklompjes naar tien. Want hij had veel geld nodig voor zijn hobby, het verzamelen van kunstfeeën en luchtballonnen.

En zo ging het maar door. Hij werd rijker en rijker en hij smeet werkelijk met goudklompjes. Sommige aardmensjes schudden vertwijfeld hun kopje maar niemand deed een bek open want stel je voor… ze konden wel voor gek versleten worden.

Op een dag was er een slim rekenmannetje dat met vakantie naar de Noordpool was geweest. Daar had ie een koele kop van overgehouden. Hij kwam terug, overzag de situatie en riep: jullie zijn net gek. Straks gaat dat aardmannetje er nog met AL  jullie klompjes vandoor. Dat gaat nooit goed. Jullie moeten vandaag nog al jullie goudklompjes terughalen. Straks is het te laat.

Te laat, te laat, brulden veel aardmensen. En ze holden naar het aardmannetje die met knersende tanden hun de uitgeleende goudklompjes teruggaf. Net zo lang tot er bijna niets meer over was.

Op dat moment zei het hoofd van de elfenadel: en nu wil ik ook mijn goudklompjes terug, meteen!! Maar dat heb ik niet kreunde het aardmannetje, dat zit allemaal in beeldjes en ballonnetjes. Ik.. ik..
Kop dicht, brulde het hoofd. Teruggeven en wel NU. Anders zwaait er wat. Dan verkoop je die troep maar. Toen gaf het aardmannetje alles terug en zei tegen de overige aardmensen: ik heb niet meer, het is op. Het spijt me dat ik jullie niet kan terugbetalen. Hij sloot zijn kantoortje en trok zich terug onder de wortels van zijn superboom.

Wat akelig dat hij nu niets meer heeft, zeiden de aardmensen. Hij was zo goed, hij was zo lief. Hij deed het voor ons. En nou is hij failliet. En ze zongen weemoedige liederen op de open plek in het bos om hem te steunen.  Het is allemaal de schuld van dat slimme rekenmannetje, riepen ze. Laat ie teruggaan naar de Noordpool, dat IJskonijn.

Diep onder de wortels van zijn boom zat het aardmannetje en luisterde grijnzend naar het gezang boven de grond. Hij opende de deur van zijn geheime kast waar duizenden, geheim glimmende, goudklompjes hem toelachten. Jullie zijn allemaal mijn vriendjes hoor, fluisterde hij en sloot daarna de deur met een grote sleutel die hij daarna zorgvuldig in een gat verborg.

Boven de grond was het gezang verstomd en iedereen ging terug naar zijn eigen boom. Maar niemand dacht nog aan al die aardmensen die binnenkort hun boom zouden worden uitgezet. Omdat ze geen goudklompjes meer over hadden.

Vanaf dat moment was het stil, doodstil, in het bos der hebberigen.

Verhaal (c) Plato 2009

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Fictieve verhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s