Parijs

Parijs I

Hij had een grote, grijze, verwarde haardos. Zijn vale jasje was verkeerd dichtgeknoopt en zijn versleten spijkerbroek zat hem een aantal maten te ruim. Zijn, in een te ruim vel stekend, gezicht had de uitdrukking van iemand die al vele jaren nergens meer naar toe hoefde. Met een tred die werkelijk niet langzamer kon, slofte hij door de hoog-ijzeren, zwart- en goudkleurige geverfde poort, leunend op een knoestige stok, het park binnen. Het was tien minuten voor sluitingstijd.

Het park Luxembourg baadde, ondanks het vergevorderde tijdstip, in het dalende, maar nog steeds felle zonlicht. Het was er druk, ondanks het late uur van de dag. Een aantal jonge agenten stond pratend en gapend bij de ingang. Weldra zouden ze in actie komen.

Vlak bij de ingang, zaten wij vredig op een bankje, aten onze baquette tonijn en dronken er een flesje vruchtensap bij. Boven ons juichte de jasmijn en iets verderop geurde een lange rij lavendelplanten ons tegemoet alsof ze zeggen wilden: snuif al die geuren maar diep in. Dat is goed, na een hele dag lopen in dat interessante, aangename maar o zo hectische Parijs! Dus snoven wij en keken naar de oude man die zojuist het pad rechts op wankelde en derhalve aan ons voorbij moest. Slof, slof, slof, deden zijn pantoffelachtige schoenen op het geelachtige grint. Slof, slof, slof.

In de verte klonk een schriel geluid van fluitjes. Plotseling kwam de Gendarme in actie en begon met drukke bewegingen de gasten te manen het park te verlaten. Vrij snel kwam er een stroom mensen onze kant op. We bleven rustig zitten. Voorlopig was de sterke arm nog elders aan het bevelen zodat we met een beetje geluk net op tijd ons brood op zouden krijgen.

De oude man scheen zich van de Gendarme niets aan te trekken. Hij was ons inmiddels voorbij, rondde een conifeer en sloeg een pad in dat zich nog verder van de uitgang verwijderde. In dit tempo was hij voorlopig het park nog niet uit en ik vroeg me af wat een confrontatie met de Gendarme zou opleveren.

Plotseling kwam er vanuit het niets een agent in onze richting gelopen en zette een fluitje aan de mond. Gezagsgetrouw stonden wij op en sloegen de kruimels van onze kleding. De agent knikte tevreden, liet het fluitje weer aan het touwtje bungelen en sloeg een ander pad in. Wij begaven ons uiterst langzaam naar de uitgang want we wilden weten hoe het met die oude man zou aflopen. Zouden ze hem stevig toespreken of hem het park uitdragen?

Eindelijk had de oude man het einde van het pad bereikt, sloeg rechtsaf en terwijl de fluitjes nu overal gilden en de agenten controleerden of er niet stiekem iemand onder de bosjes lag, begon hij onverstoorbaar langzaam aan de terugweg.

Met de laatste gasten verlieten wij het park. De agenten groetten ons vriendelijk en bleven bij de ingang staan. Af en toe keken ze naar de oude man die geheel in zichzelf gekeerd de laatste honderd meter van zijn persoonlijk parcours aflegde. Eindelijk was hij bij de uitgang, keek op, knikte naar de agenten en loste daarna sloffend op in het Parijse straatgewoel.

En wij? Wij liepen zwijgend in de richting van een terrasje waar de koffie vier euro kostte maar waar je heerlijk in het zonnetje van het Parijse straatbeeld kon genieten terwijl dat onvergetelijke park Luxembourg zich opmaakte voor de nacht.

Parijs II

Daar zijn we dan, in de Rue de Bellville, een smalle straat vol winkeltjes waar het achterstallig onderhoud van de huismuren kan worden geschraapt en waar je de armoede aan de gezichten van de, veelal buitenlandse, bewoners kan aflezen.

Parijs_2009_deel_2_096

In die straat, op nummer 72, werd bijna een eeuw geleden, Frankrijks grootste chansonniëre geboren. Het is, zelfs 46 jaar na haar dood, nog overbodig te vertellen wie zij was en hoe haar stem klonk. Dat ze een fenomeen was die, zodra zij begon te zingen, een enorme metamorfose onderging en daar, met een elan en een kracht die je maar zelden op een podium ziet, zong van Milord en La Vie en Rose.

We kijken naar de ramen van het armetierige gebouw waar ze het levenslicht zag. Enkele dagen ervoor waren we op Père-Lachaise, de begraafplaats waar beroemdheden als Moliëre, La Fontaine, Chopin, Gustave Doré en Jim Morrison begraven liggen. Een plek met prachtige monumenten maar ook een plaats waar het verval en de verloedering angstig zichtbaar wordt en waar het spreekwoord ‘ kort is de roem’, pijnlijk gestalte krijgt.

Parijs_2009_124Daar, rechtsboven op die begraafplaats op slechts een paar kilometer van haar geboortehuis, ligt zij in een eenvoudig graf samen met haar laatste, veel jongere, echtgenoot die haar slechts kort overleefde: Edith Giovanna Lamboukas, geboren Gassion, kortweg Edith Piaf, de Mus.

Terwijl ik naar het huis staar, klinkt zachtjes in mijn hoofd haar bekendste chanson: Non, je ne regrette rien, haar lijflied en ik denk: nee, spijt heeft ze niet gehad. Ze heeft haar rauwe, vaak ellendige bestaan met een onblusbaar vuur geleefd. Helaas was het al op 48 jarige leeftijd uitgevonkt.

Gelukkig voor ons bestaan er CD’s en is er You Tube. Klik er nog eens een aan. Op haar gezondheid.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Kunst en cultuur. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s