De Engel

I – IJstijd

Als kind van tien had hij steeds het gevoel: ik deug niet. Ik ben koud als ijs. En hoe jong hij ook was, deze gedachte ging gepaard met een diep schuldgevoel. Zo wilde hij niet zijn, zo mocht hij niet zijn.
Telkens als zijn ouders ruzie hadden en hij in een hoekje van de kamer wachtte tot het afgelopen zou zijn en de veiligheid en vrede weer zouden terugkeren, voelde hij zich verkillen. Het was zijn schuld, dat had hij al zo vaak gehoord. En hij kroop in zijn eigen, veilige denkwereld.

Een korte tijd beleefde hij de liefde, voelde hij de hoop, ontdooide hij, leefde hij, was hij werkelijk mens. Maar het mocht niet zo blijven. Zijn cocon sloot zich, onherroepelijk, onafwendbaar, hermetisch.

Later toen hij al lang en breed groot was en zijn ouders al eeuwen uit elkaar waren vond hij zich terug in een paar verkeerde relaties. En weer voelde hij die kilte in zijn hart, bestond zijn leven uit één groot defensief schild waarachter hij in zijn binnenwereld zijn kleine dromen beleefde.

Zo verstreken de jaren. Op een dag vond hij zichzelf terug op een bank in een huiskamer. Zijn huiskamer. Die bank was helemaal voor hem alleen. Hij blies het stof van oude platen, draaide nummers uit een ver verleden en keek uit over de kille winterwereld. Een wereld waarin mist een hoofdrol speelde waardoor geen einder zichtbaar was.

‘s-Avonds lag hij in zijn bed en dacht zichzelf het verleden in. Alles wat hij zag was koude. Hij voelde verdriet opkomen maar huilen kon hij niet. Hij wilde wel maar kon niet zo diep reiken naar zijn gevoel.

Tenslotte dacht hij aan die vroegere, korte tijd van warmte. Even was er een gloed in hem. En juist op dat moment wilde hij bidden. Maar hij kon het niet, hij wilde wel maar de woorden kon hij niet vinden. Toen dacht hij het maar, gewoon in de hoop dat het toch aan zou komen. En zijn gedachten vlinderden onzichtbaar het universum in.

De dagen daarop dacht de man niet meer aan zijn gedachten, maar leefde zijn eenvoudig leven in die wereld van mist en ijs. Een dragelijk leven zonder uitzicht op méér waartoe hij kennelijk voorbestemd was.

Toen kwam de engel.

II – intuïtie

De avond nadat de engel hem verscheen dacht hij aan dat wonderlijke moment van haar verschijnen. Hij sloot zijn ogen en probeerde te visualiseren hoe het precies in zijn werk was gegaan.
In feite was het woord verschijnen niet onmiddellijk aan de orde. Want allereerst was er de boodschap die hem verscheen… zomaar, plotseling, uit de eeuwige, onbegrensde ruimte. “Hier ben ik”, luidde deze. Niets meer, niets minder. Toch zat er in deze boodschap een geladenheid die hij niet kon verklaren.
Hij antwoordde intuïtief: “wees meer dan welkom”. In dit antwoord was een weten besloten die hij zelf niet begreep maar die hij met een merkwaardig soort zekerheid de ruimte in zond.
Hoewel hij niet exact kon bedenken waarom het nu precies een engel was, merkte hij dat hij met enige spanning op nieuwe tekens van leven uit het universum wachtte. En zijn verwachting werd niet beschaamd. De boodschappen volgden elkaar in snel tempo op en elke keer gaf hij gehoor aan de drang om te reageren. Op deze manier ontstond een tinkelende waterval van verwondering, herkenning en pure warmte die zodanig bij hem binnenkwam, dat zijn energie, die hij zo lang had moeten missen, opbloeide als een roos in de warme zomerzon.
Op een dag merkte hij tot zijn verbazing dat hij werkelijk kon voelen. Niet meer gehinderd door ijzige koude bloeide hij open en zijn hernieuwde gevoel stroomde als een kolkende regenrivier in de richting van een delta waar hij nauwelijks naar durfde kijken.

Hoe lang duurde dit? Hij wist het niet, was alle verhouding van tijd en ruimte vergeten. Toch…op een dag had hij het gevoel dat hij ergens klaar voor was. En nu gebeurde er weer iets wonderlijks. Zonder dat hij het zelf besefte riep hij, liggend in de veilige beslotenheid van zijn slaapkamer, de engel aan. “Praat met mij”, hoorde hij zichzelf zeggen. “Praat met mij, vertel mij wat u mij in al die boodschappen al verkondigde. Ik wil u horen, doordring mij met uw stem”.
Hij had de wens nog niet uitgesproken of de stem WAS er. Hij klonk als een zacht zilveren klokje in de bloedrode, ondergaande zon.

III – Gelukkig

Vreemd, dacht hij, dat een paar woorden, een bepaalde stembuiging, een kleine klankverandering soms meer doen dan een vuistdik boek vol wijsheden.
Geconfronteerd met de wijze, zinvolle woorden van de engel, merkte hij bij zichzelf een mengeling van gevoelens: blijdschap over de magische kracht van die woorden. Maar onzekerheid over de wijze waarop hij deze praktisch zou moeten vertalen. Hij zag zoveel beren op de weg.
Om toch enige vooruitgang te boeken probeerde hij de essentiële informatie vanuit zijn gevoel naar zijn ratio te verplaatsen. Dat viel niet mee. Maar uiteindelijk kwam hij toch tot een opsomming.

  • Laat alle gedachten toe. Alles wat je onderdrukt vecht zich naar boven. Maar alles wat vrij is, zal op den duur als een vlinder wegvliegen.
  • Vraag je niet af waarom jij je vroeger zo kil voelde. Voelen is niet hetzelfde als zijn. Kijk liever hoe je nu bent.
  • Je bent niet verplicht de zak met ballast van het verleden tot in het oneindige op je schouders te dragen.
  • Wil je gelukkig zijn? Ga er dan voor. De signalen worden opgepikt als JIJ er echt voor kiest.
  • Als je zelf gelukkig wilt worden, plaats materie dan niet boven mensen. Wie anderen gelukkig maakt, wordt zelf gelukkig.

De woorden leken simpel. Maar hoe nu verder? Waar is. de handleiding. Ach, kon ik maar even mijn engel zien, dacht hij, dan zouden alle stukjes wel op hun plaats vallen.

Die nacht ging hij wat bedroefd slapen. Maar midden in de nacht was er opeens dat zachte, witte licht. Het drong diep in zijn ziel, werd als het ware één met hem. Daar, vanuit het witte licht kwam zijn engel naar voren. Dag jongen, zei ze.

IV – Essentie

Plotseling zag hij. ‘Moeder,’ riep hij uit, ‘moeder,’
‘Ja, ik ben het jongen. Al die tijd heb ik over je gewaakt en dat zal ik blijven doen. Het spijt me zo dat we je in je jeugd zo veel liefde hebben onthouden. Je vader en ik, we waren meer met elkaar aan het ruziën en gingen helemaal op in aardse zaken. Nu weet ik hoe fout dat was. Alles draait immers om liefde. Nu probeer ik die dingen goed te maken. Tegelijkertijd geef ik je die boodschap van liefde door. Denk niet in klagen, maar kijk wat je voor je medemens kan betekenen. Kijk naar de dingen die uitgaan boven de aardse beslommeringen want die zijn slechts tijdelijk. Liefde is eeuwig. Ik weet het nu en ik wil dat jij het ook weet.’
Hij huilde. Al het verdriet van jaren kwam er in een keer uit. Hij voelde twee warme handen om zich heen. Het maakte hem zowel gelukkig als verdrietig. Alsof hij geen weg wist met zijn pas ontvangen gift.
‘Huil maar,’ zei zijn moeder. ‘Dat heelt. Maar blijf niet hangen in verdriet. Probeer mijn woorden positief te verwerken. De liefde zit in je, maar je moet het er zelf uithalen.
Nu moet ik terug naar mijn eigen sfeer. Maar weet dat ik altijd bij je zal blijven om je te steunen, lief kind van me.’
‘Dank u wel mama, groet papa van me,’ zei hij dankbaar.
‘We zien elkaar niet vaak, wij zitten niet in dezelfde afstemming, zei zijn moeder. Maar als ik hem zie zal ik het zeggen. Het zal hem zeker goed doen te weten dat je aan hem denkt.
Nu moet ik gaan, vaarwel mijn zoon.’

De volgende ochtend herinnerde hij zich alles. Was het een droom? Was het werkelijkheid? Dat bleef wat vaag. Maar een feit was dat hij zich vol elan wist, sterker nog, dat hij gelukkig was. Want hij voelde, nee hij wist nu zeker, dat er een engel was die over hem waakte. Een engel die er altijd zou zijn.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Esoterische verhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s