Oud en nieuw

Traag strompelde hij door de half verijsde sneeuwhopen. Zijn witte snorpunten waren bedekt met een klein laagje glasachtig ijs. Zijn kromme rug gebogen, tastend en zoekend, zocht hij zich een weg naar het einde van de smalle straat. Hij keek op zijn kettinghorloge. Nog tien minuten. Daar in de verte was de poort. 

Hij kende zijn taak. In zijn rechterzak zat de grote metalen sleutel.  Niet bij machte om er ook maar een klein schepje bovenop te doen, ging hij verder. Moeizaam veegde hij de laatste restjes bewustzijn bij elkaar en dacht na.
Vol elan was hij begonnen in een witte wereld vol vrolijke mensen. En hij was overal tegelijk. Hij zag hoe de aarde zich op zijn ritme door het heelal wentelde. Hij zag dag en nacht, hij zag de seizoenen. Hij zag hoe de mensen in de dorpen en de wijken van steden op kleine schaal veel goeds  tot stand brachten. Hij voelde hoeveel goede wil er in de harten van velen schuilde. Daar verheugde hij zich over. Maar vaak zag hij ook een andere kant. Hij zag honger, haat en hulpeloosheid. Hij zag machten, in het zadel gehouden door dezelfde mensen die toch zoveel goede wil ten toon spreidden. En hij begreep het niet.

‘Och, mompelde hij. ‘Ik ben slechts een simpel wezen dat tot taak heeft de maat der chronologie te slaan. Verder reikt mijn bevoegdheid niet. Bovendien heb ik slechts een tijdelijk contract. En daarbij: de Heer heeft heel duidelijke opvattingen over de vrije wil. Ik kan niet anders dan deze opvatting respecteren. Maar waarom heeft hij mij dan een bewustzijn gegeven? Waarom zie ik zoveel en waarom kan ik zo weinig? Als mijn taak er op zit, is dit het eerste wat ik hem zal gaan vragen.’

Nogmaals keek hij op zijn horloge. Nog drie minuten. Exact op tijd moest hij de poort bereiken. Exact betekende: twaalf seconden voor twaalf. Die twaalf seconden had hij nodig om de sleutel in het slot te steken en de poort te openen. Daarna wachtte hem de oneindigheid van het bestaan.

Ik zou natuurlijk mijn opvolger nog wat goede raad kunnen meegeven, dacht hij vaag. Maar welke? Daar kwam hij niet zo goed uit.

Daar was de poort. Hij pakte de sleutel, stak hem in het slot en draaide hem gestaag twaalf maal om. Bij de laatste keer ging de poor tin een flits open. In diezelfde flits schoot een klein kind lachend langs hem heen. ‘Wel thuis, Chronologus’, “hoorde hij in zijn oor tinkelen. ‘Succes, jongen,’ riep hij. Zijn woorden echoden de eeuwigheid in.

In de eeuwige rust van het al, hervond zijn kosmisch bewustzijn zich in zijn volle omvang. De tijdsmantel en het horloge waren verdwenen. In de verte wenkte de Heer.  Diens onuitgesproken vraag drong stralend door tot zijn bewustzijn. ‘Wilde je mij iets vragen Chronologus?
Terwijl er een allesomvattende kalmte door zijn wezen stroomde antwoordde hij, eveneens woordenloos: ‘nee Heer, ik heb geen vragen.’

Clouds

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen fictie. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s