Het lichtje

I – tinkelen

Ineens, was er dat zachte sterrenlichtje. Bang keek hij op. Maar iets zei hem dat het niet nodig was om angstig te zijn. Dat dit licht goed was. Moeizaam stond hij op. Het heldere schijnsel leek hem te wenken.
Het kostte hem moeite maar hij slaagde er in om de ene poot voor de andere te krijgen. Langzaam maar zeker liep hij achter het licht aan.

“Kom hierrrrrr……”. De zware stem van de man had onheilspellend en hol geklonken.  Uit gewoonte was hij in elkaar gekrompen en nog een stukje verder achter de stoel geschoven. “Wat zeg ik je nou, rothond, kom hier of ik geef je een schop”. Hij had niet de moed gehad te blijven zitten en schuw, met de buik haast tegen de grond, was hij tevoorschijn gekomen. Meteen had hij een trap en een klap te pakken gehad. “Luisteren jij”, had het hard in zijn oren geklonken. Hij was geschrokken van zijn eigen gelatenheid.

Hoe lang had hij al gelopen? Hij was zo moe. Toch zette hij door. Hij kon zijn ogen niet van het licht afhouden. En hij verbeet zijn pijn. Nu was hij aan het eind van het bos. Hij kende de streek nauwelijks maar wist dat daar achter die smalle strook bomen een dorp was. Waar zou het licht hem brengen? Hoe lang ging het nog door?

Die nacht had hij zijn wonden gelikt. Hij herinnerde zich dat hij nauwelijks nog kon denken en dat de  allesoverheersende gedachte was geweest: niet slaan baasje, niet slaan. Houd toch van mij. Maar baasje hield niet van hem, had nooit van hem gehouden. En al helemaal niet als hij ‘s-avonds terugkwam van…ja van waar? Meestal zag hij dan erg rood en kon hij niet goed meer lopen. Dan waren zijn slagen het ergst. Gelukkig ging hij daarna meestal snel slapen.
Twee dagen later, terwijl hij even in de tuin gelaten werd om zijn behoefte te doen, had hij zijn kans schoon gezien en was door het gat in de heg gevlucht.

Hij was bekaf. “Sorry licht, ik wil wel, maar het gaat niet meer”, mompelde hij, wezenloos kijkend, naar het schijnsel dat daar stil boven hem hing en zachtmoedig leek te tinkelen. Zonder nog te beseffen wat hij deed strompelde hij een tuinpad op en legde zich onder een struik. Zijn ogen sloten zich als vanzelf. Hij moest slapen, slapen…

Hij zag niet dat de ster vlak boven hem stond en doordringend door het raam van het huis scheen.

“Papa kijk, een vallende ster, zie eens hoe fel?” De kleine jongen trok verrukt aan vaders mouw. “Laten we even buiten gaan kijken, ja pap, mag het”.
“Mmm”, zei vader, “wat een licht, dat is wel heel bijzonder.” En vader en zoon gingen naar buiten en zagen nog net dat de stralende ster als een vuurpijl omhoog schoot.
“Vuurwerk”, zei vader. “Met kerst? Ze zijn vroeg dit jaar.”
“Maar papa, wat ligt daar, kijk dan, daar bij het tuinpad”. Ze keken. En daarna schrokken ze. Want daar zagen ze het meest uitgeteerde en verwonde hondenlijfje liggen dat je je maar kon voorstellen.
“Kom” zei vader, “we zullen in huis brengen, “misschien is hij nog te redden”.  Samen brachten ze de hond naar binnen.

Maar niemand zag die kleine ster, die vandaag zijn goede daad had gedaan en nu verheugd schitterde aan de nachtelijke hemel. Omdat hij wist dat vanaf dit moment alles goed zou komen.

II – Whiskey

Slaperig ging de man op de rand van zijn bed zitten en keek op de wekker. Half twee. Zo laat alweer, mompelde hij brommerig, stond op en strompelde naar de badkamer. Op de overloop struikelde hij over de lege flessen en schopte er twee de trap af. Met donderend geraas kwamen ze op de begane grond terecht.
‘Prettig kerstfeest,’ gromde hij sarcastisch tegen zijn spiegelbeeld. Twee toegeknepen oogjes keken hem waterig aan. Hij krabde in zijn warrige haardos en bevoelde daarna de baard van vier dagen oud. Daarna draaide hij de warmwater kraan open en bevochtigde met de toppen van zijn vingers vluchtig zijn rood gezwollen gezicht. Genoeg was het zo.

Het voordeel van met kleren aan in je nest donderen, was dat je je ’s morgens niet hoefde aan te kleden, dacht hij cynisch. Even overwoog hij de resterende flessen mee naar de keuken te nemen, maar ach, dat kon later altijd nog wel. Zich stevig aan de leuning vasthoudend, strompelde hij naar beneden. Na de laatste trede viel hij alsnog over de flessen die hij zojuist naar beneden trapte. Hij vloekte hartgrondig.

Wat was het koud in woonkamer. En waar was die rot hond nou? Hij deed de keukendeur van het slot en keek naar buiten. De tuin was leeg. Hij riep en floot. Geen Wodan. Als ik je #@#$$ te pakken krijg, sla ik je poten stuk, stuk ellendeling, riep hij tegen de beregende struiken en sloot met een klap de deur.

In het keukenkastje vond hij het bruine brood beschimmeld in de zak. Dan maar een krentenbol, dacht hij verstoord en wierp de zak in de overvolle vuilnisbak.

In de woonkamer was het nog steeds koud. Hij moest toch de woningbouwvereniging eens bellen, verdorie. Maar ja, die liepen niet zo hard meer sinds hij huurschuld had. Die lui dachten ook alleen maar aan zichzelf. Dat ie maar een kleine arbeidsongeschiktheidsuitkering had en nauwelijks rond kon komen, telde voor hen niet. Hij besloot zijn krentenbol met een bel whisky weg te spoelen. Whisky maakte warm.

Hij wist wel dat de drank hem ook droevig maakte. En dat deze hem in een latere fase in een duivel veranderde. Maar wat moest ie anders? Ok, hij had Wodan niet zo moeten slaan (waar bleef dat beest nou toch?). Slaan? Het woord wierp hem terug in de tijd.

Hij was nog jong en vrolijk en speelde met het kleine kind. Papa, papa, kraaide het blij naar hem. Op de achtergrond kwam een jonge vrouw de keuken uit en riep hem toe dat de koffie klaar was. Een plotseling gevoel van geluk doorstroomde hem. Dan, ineens, werd alles donker.

Hij wilde niet janken. Sodemieter toch gauw op. Ze had hem gewoon niet als een klein kind moeten behandelen. Ze wist toch hoe hij was? Gehaast nam hij nog een paar flinke teugen. Hij moest naar buiten. Wodan zoeken. Hij zou hem lekker brokjes geven en hem flink aaien. En hij zou hem zeggen hoe het hem speet. Ja, dat zou hij zeggen.
Hij stampte in zijn schoenen en trok zijn jas aan. Daarna ging hij door de voordeur naar buiten en begon met een lichte slingergang zijn zoektocht.

III – Buren

Een week ging voorbij. Elke avond kwam de man teleurgesteld thuis van zijn zoektocht, at wat er in de koelkast lag en dreef zichzelf daarna al drinkend van zijn bewustzijn af. De volgende dag werd hij tegen de middag met barstende koppijn wakker. Hoewel hij nog steeds geen spoor van de hond had gevonden was er inmiddels een nijdig soort vasthoudendheid over hem gekomen. Stug bleef hij volhouden en volgde elke dag waggelend en hoestend nieuwe paden.

De buren keken hem stijfjes na. ‘Ze mosten hem hartstikke doodskieten,’ riep buurvrouw Ketel, een wat oudere vrouw met een beperkte horizon, fel.
‘Het is allemaal zijn eigen schuld, ik heb geen sikkepitje medelijden met hem,’ gromde buurman Nagel. ‘Had ie die hond maar niet moeten slaan. En hoe was ie tegen zijn vrouw, de jaloerse hufter, nou? Die is ook niet zo maar met het kind weggegaan. Die zal ie ook wel hebben geslagen dan. Nee, hij kan me wat.’
‘Ja, laat hem barsten, de zuiplap,’ sneerde tante Ka, die van niets wist. ‘Hij heb nooit een slag werk gedaan, maar ze pote ken ie niet thuishouwe.’
De andere buren mompelden, om niet uit de toon te vallen, wat grijzigs de regenachtige lucht in en verdwenen snel weer achter de veilige gordijntjes.

De man strompelde hoestend over de door mest en regen glad geworden paden. Hij was moe. Alweer vergeten medicijnen in te nemen, dacht hij vaag en streek de piekerige haren voor zijn ogen vandaan. In de verte, aan het einde van het bos, doemde een klein dorp op.
Hij wist dat ze over hem kletsten. Hij voelde wel hun ogen in zijn rug prikken. Het kon hem toch niks schelen. Wat wisten ze nou van hem? Dat hij het aan zijn hart had en daarom zijn werk niet meer kon uitvoeren? Dat zijn vrouw, gewend aan luxe, hem de bons had gegeven? Hoe ze op een avond tegen hem had gezegd dat ze niet haar hele leven wenste te slijten bij een arbeidsongeschikte, saaisuffe postbode zonder kans op beter? Dat ze geen kans voorbij liet gaan om hem duidelijk te maken dat ie het verstand van een kind van elf had en dat ze nooit eens fatsoenlijk met hem kon praten? Dat ze hem verweet dat ie door zijn hartklachten in bed niks meer klaarmaakte? Wisten ze dat? Nee, ze wisten geen moer. Natuurlijk had hij haar die avond die klap niet moeten geven, dacht hij grommend. Maar waarom had ze hem dan ook het wit voor zijn ogen getreiterd. Weer hoestte hij. Daar was het dorp.

De kleine jongen liep met de hond over het smalle pad. Pak de stok, pak de stok Castor,’ riep hij met een hoog, opgewonden stemmetje. De hond, vorige week nog een armoedige schim, was opzienbarend snel opgeknapt en volgde de jongen op de voet. Gretig sprong hij naar de stok die boven zijn neus zweefde. Hij hield van spelletjes. Zo gingen ze de hoek om naar de plek waar het bos begon.

Plotseling stonden ze oog in oog met de man. De jongen schrok, de hond, intuïtief, deinsde terug en liet zijn tanden zien. De man richtte zich op uit zijn gebogen houding en sperde zijn ogen open. ‘Wodan,’ schreeuwde hij buiten zinnen, kom bij de baas.’

IV – Lichtje

Met grote ogen keek de jongen in het verwilderde gezicht van de man. Toen, opeens, zette hij het op een lopen. Een kort ogenblik keek de hond zijn voormalige baas recht aan en ontblootte grommend zijn tanden. Dan keerde hij zich abrupt om en rende de jongen achterna.
Er was een schok door de man heengegaan. Op dat moment zag hij, in een flits, de waarheid omtrent zichzelf. De ogen van die jongen. Hij was doodsbang van hem. Zoals zijn eigen kind bang voor hem was geweest als hij weer eens buiten zinnen was van de smalende opmerkingen van zijn vrouw. Hij zag ook de haat in de ogen van de hond. Dit was zijn Wodan niet meer. Er ging een felle steek door hem heen.
‘Waar dan?’ vroeg de moeder van het jongetje terwijl ze de handen aan haar schort afveegde. De jongen wees naar het einde van het pad. ‘Ik ga wel even kijken, blijf jij maar binnen,’ zei moeder, ik ben zo terug.’

De man huilde en hij wist het. Terwijl de tranen over zijn verlopen gelaat sijpelden,  werd hij zijn gemoedstoestand op een vreemde manier gewaar. Het was alsof hij  toeschouwer was in een wrang toneelstuk waarin hij zelf de obscure hoofdrol vervulde. Het verdriet van jaren zat samen met een drukkende pijn als een klem in zijn borst.

De eigenaar van de hond dus. Zoveel had ze van haar zoon begrepen. Wel, ze zou hem eens even flink de waarheid vertellen. De schoft. Om een hond zo te mishandelen. Geen haar op haar hoofd dat er aan dacht om… ze stokte. Daar op de grond zat een zielig hoopje mens op zijn knieën in de regen en huilde. Zijn verwrongen gezicht schokte en verontrustte haar. Deze man was ziek, drong het tot haar door, doodziek.

Een half uur later zette ze hem met de auto af bij zijn huis. Het liefst had ze hem bij de huisartsenpost willen afleveren maar hij bezwoer haar dat het niet nodig was. Dat hij medicijnen thuis had en dat hij, als hij deze meteen innam, zich weer snel goed zou voelen. Ze aarzelde maar besloot uiteindelijk te doen wat hij vroeg.
‘Gaat het echt wel? Als u pijn blijft houden moet u meteen de dokter bellen hoor,’ drong ze nog eens aan. Hij knikte moeilijk en bracht haar naar de deur. Door de vitrage zag hij hoe zij haar auto startte en wegreed. Bij de buren aan de overkant zag hij een net nog een hoofd dat achter de vitrages wegdook. Het kon hem geen ene flikker meer schelen.

De vermoeidheid lag als een loden deken over zijn lijf. Hij zou nu naar de badkamer moeten gaan om zijn pillen in te nemen. Maar iets hield hem tegen. Alsof het er niet meer toe deed. Hij voelde de zeurende pijn in zijn borst. Langzaam stond hij op en pakte een fles whisky uit de kast. Hij draaide dop van de fles en nam een paar lange teugen.

Hoe lang had hij geslapen? Hij had geen idee. Kennelijk had het hem goed gedaan want hij voelde totaal geen pijn meer. Het was een klein wonder. Toen dacht hij weer aan de hond en daarna aan zijn vrouw en kind. En weer viel het verdriet over hem heen als een regenbui in de winter. Verloren, dacht hij, alles verloren.

‘Kalm nu maar,’ klonk plotseling een stem naast hem. ‘Vertrouw op mij, alles komt goed.’ De man keek opzij en zag een jonge vrouw naast hem zitten. Ze glimlachte naar hem.
‘Hoe bent u binnengekomen,’ stotterde hij verbaasd. Ik was…’
‘U had een groot verdriet,’ zei de jonge vrouw zacht. ‘Maar u hoeft zich niet langer zorgen te maken. Ik begrijp u. Het zal even duren, maar daarna zult u volledig geheeld zijn. Kom, we gaan een eindje wandelen en ondertussen zal ik u een aantal dingen uitleggen. Ziet u dat lichtje? Die kant gaan wij op.’

Hij voelde zich zo licht als een veertje. Hij keek op naar de jonge vrouw. Ze deed hem denken aan zijn moeder. Met graagte legde hij zijn hand in de hare.
Zo voerde ze hem mee naar vredige verten waar angst noch vooroordeel een rol speelden.

Die ochtend stonden de buren op een kluitje en keken naar het huis van de man.
‘Ik sweer ut je,’ zei buurvrouw Ketel venijnig, ‘ik heb ut altaid al gesegd: de hufter zuipt se eige nog es een keertje hartstikke dood. Nou sie je wat er van komt.’

Maar het lichtje stond tevreden aan de hemel. Het had zijn taak volbracht. Alles was goed zoals het was.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Esoterische verhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s