Langs de vloedlijn

Het is een grijze namiddag. De storm jaagt wolken zandkorrels genadeloos over het strand en neemt af en toe een vleug regen mee. Langs de vloedlijn scharrelen drieteenstrandlopers, zilver- en mantelmeeuwen krijsend hun kostje bij elkaar. De bulderende zee deert hen niet. Nabij paal twaalf trotseert een aantal stevig ingepakte wandelaars doorzetterig de elementen.
Terwijl ik schuin tegen de storm in loop, knijp ik mijn ogen dicht en veeg mijn brillenglazen schoon. Tevergeefs. Binnen een minuut ligt er weer een kleine mistige laag van zoutkristallen op.

Waarom ben ik hier naar toegekomen? De vraag flitst door mijn hoofd alsof hij door de storm zelf wordt gesteld. Ik weet het antwoord en tegelijkertijd besef ik dat het niet klopt. Want hoe kun je vergeten op een plek die zo doet denken aan alles wat zo bitter samenbond?  Alsof een zware drinker, die op medisch voorschrift acuut moet stoppen met alle vormen van alcohol, dat beter zou kunnen bereiken door elke avond zijn stamkroeg te frequenteren.

De zee zwiept een lading algenschuim op het strand. In steeds kleiner wordende vlokken verdwijnt het in de richting van de duinen. Ik bal de vuisten in mijn zakken. Elf jaar en acht maanden, denk ik grimmig, bijna twaalf jaar, als een mooi, zorgvuldig opgebouwd zandkasteel in één klap door de golven verwoest. Onherstelbaar.

Natuurlijk, bij alles wat je sluit, open je nieuwe deuren. En ik weet ook wel dat ik mijn schep kan pakken en een prachtig nieuw zandkasteel kan bouwen op veilige afstand  van de aanstormende zee. Maar niet met hetzelfde zand. Het zal nooit, nooit hetzelfde zandkasteel worden.

Wil je dat dan? Dit keer is het de zee die dat lijkt te vragen. Ik sta stil en tuur in de verte naar de schimmige schepen die log tegen de elementen optornen. Natuurlijk, de zee heeft gelijk. De zee is wijs, hij heeft zo veel meer gezien dan ik. Het is maar beter goed naar hem te luisteren.

Ik huiver en kijk aarzelend naar de einder. De wandelaars zijn verdwenen. In de verte staat, eenzaam en verlaten, als een onwrikbaar en onhaalbaar monument in het opvliegende zand, paal twaalf. Ik keer me om en loop mijn eigen spoor terug.

In de verwarmde strandtent zitten die anderen. Ze drinken gezamenlijk hun borrel. Ze praten en ze lachen wat en spinnen zo een web van gezelligheid om zich heen. Ik veeg mijn gezicht en bril droog en drink met kleine teugjes de hete koffie. Daarna reken ik af, ga naar buiten waar de storm de wolken uiteen heeft doen stuiven zodat er een prachtige ondergaande zon zichtbaar wordt.

In de verte werpt de vuurtoren zijn eerste bundels licht over zee. Even kijk ik er naar. Dan loop ik langzaam langs de donker wordende vloedlijn in de richting van mijn onbekende bestemming.

G_zonsondergang_bij_vuurtoren_3

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen fictie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Langs de vloedlijn

  1. Novelle zegt:

    Ja dit stukje schrijven herinner ik me uit de dagen dat ik zo ernstig ziek was mooi om weer eens te lezen. Zelf heb ik destijds alles weg gedaan. nog steeds mooi hoor

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s