Bij de fysiotherapeut

Zoals ze daar half lag, half zat, haar verfrommelde jurk slordig om haar benige ledematen gedrapeerd en met een gezicht dat het leed van de hele wereld met zich mee leek te dragen, was het alsof ze sliep.
Haar ogen, nog maar net zichtbaar onder een grijze bos slordige krullen, waren gesloten. Haar lippen bewogen nauwelijks merkbaar.

Toen ik haar zachtjes gedag zei, kwam ze een stukje overeind en beantwoordde mijn groet. Ik ging naast haar zitten en zei:
“zo, vandaag maar weer eens proberen of er wat beweging in de armen te krijgen is”.
Ze keek me niet aan toen ze me antwoordde:
“ach ja, ze doen hun best. Maar je kan van een oud krakkemikkig skelet geen wonderen meer verwachten.”
“Maar gelukkig kunnen ze er wel voor zorgen dat we niet al te veel pijn hebben”. zei ik monter, vanuit de behoefte het gesprek een luchtige wending te geven.
“Ja, dat wel, alhoewel je, als je maar lang genoeg een bepaalde pijn ervaart, er wel immuun voor lijkt te worden,” mompelde ze terug.

Ik keek haar nog eens aan. Ze was oud. Ik schatte haar halverwege de tachtig. Haar kleine, enigszins kromgetrokken lichaam had iets tanigs. Heel haar wezen leek uit te drukken: ik weet dat ik uiteindelijk verlies, maar jullie hebben me nog niet want ik geef niet op.

“Ach, ik ben allang blij, dat ik door die therapie toch weer wat in de tuin kan doen”, zei ik. “Beweging schijnt hoe dan ook het toverwoord te zijn.”
“Maar het is wel moeilijk te blijven bewegen als je barst van de pijn. Ach, het is maar beter niet te vaak terug te kijken,” antwoordde ze, keek me even doordringend aan, zuchtte dan diep en hervatte:

“Ik bedoel, je kan maar beter niet teveel terugdenken aan  de tijd dat je nog soepele ledematen had. Dat je nog kon rennen over straat en dat je, zoals mijn vader vroeger zei, met gemak over je eigen pet kon springen. Want een mens levert wat in, zo in de loop der tijd. Ik hield erg van tuinieren. Maar op het laatst ging het niet meer. Nu zit ik op een bovenwoning. Mooi hoor, uitzicht over de Zaan. Maar je kan nou nooit eens lekker naar buiten wandelen zoals vroeger.”
Weer keek ze me aan maar nu was haar blik weemoedig, triest bijna. Ik voelde me ongemakkelijk.

Even later werd ik geroepen voor de behandeling. Mijn groet werd door haar beantwoord met een vage zwaai van haar linkerhand en een zacht: “doeg”

Toen ik een half uur later de behandelkamer uitkwam was de wachtruimte leeg. Daarna, wandelend in de volle, warme zon besloot ik straks mijn tuin heel bewust te beleven.
Nu kon het nog.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen non fictie. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s