De wandelaar

De lucht was zo donkergrijs dat het leek alsof de avond al was aangebroken. De vloed was op zijn hoogtepunt. De storm trok woeste sporen van stuifzand over het smalle, bijna verlaten strand.
De oude man ploeterde door het mulle zand. Met de kraag van zijn jas hoog opgetrokken, de onhandig geknoopte sjaal daar omheen gesnoerd en de handen diep in de zakken van zijn winterjas, hing hij schuin tegen de wind in. Af en toe knipperde hij de scherpe zanddeeltjes uit zijn pijnlijke ooghoeken en maakte met een extra vingerbeweging zijn doffe brillenglazen schoon. Het hielp maar even.
Door de spleetjes van zijn ogen keek hij naar de kolkende watermassa. De verre pier was een onbetekenende vage streep. Op de doorgaans drukke vaarroute was geen schip te bekennen. In de verte ontwaarde hij de vage contouren van de vrolijk verlichte strandtent.

De vrouw bracht hem een dampende kop erwtensoep. ‘Zo opa, jij durft,’ zei ze met iets van bewondering in haar stem terwijl ze de man kritisch opnam. ‘En straks weer lekker naar huis?’ De man schudde zijn hoofd en wees vaag in de verte.
‘Nog meer lopen?’ De vrouw keek hem ongelovig aan. ‘Man dat is toch veel te koud. Je bent nu al paars in je gezicht. Nou ja, zelf weten, jij liever dan ik’. Even aarzelde ze, maar toen hij niet reageerde, bewoog ze statig terug naar de bar en begon met een in vele jaren opgebouwde routine pilsjes te tappen.

De man lepelde zwijgzaam zijn soep. Toen hij was uitgegeten, legde hij het geld op tafel, trok zijn jas aan en stond op. Niemand nam notitie van hem toen hij het pand verliet. De kou benam hem voor een ogenblik de adem. Dan vermande hij zich en stapte stevig door de zachte zandhopen in de richting van de vloedlijn.

Terwijl hij zich met gebogen hoofd als een bizon naar de storm keerde, zodat hij van het hele strand alleen maar een stukje strand en de punten van zijn schoenen zag,dwaalden zijn gedachten af naar vroeger. Grimmig herinnerde hij zich de ruzies in hun jonge jaren. Wilde hij naar het circus, dan moest zij naar de bioscoop. Wilde hij naar het strand, gaf zij de voorkeur aan het bos. Later ging de ruzie bijn aaltijd over de kinderen. Maar die waren al sinds jaren de deur uit.

Toen hij haar  vanmorgen hoorde zeggen: ‘Nu ga je op dat dieet, en zo niet, dan ga ik van je af. Ik wil niet langer met zo’n klomp vet onder één dak wonen.

Hij wist dat ze gelijk had. Hij was te zwaar. Maar toch had hij zich venijnig verweerd. Vanwege de manier waarop! ‘Niks dieet, dat kan ik zo ook wel.’  Witheet was hij de deur uit gegaan. Nu was het afgelopen. Hij zou haar eens wat laten zien.

Moe was hij, doodmoe, maar vastbesloten. Terwijl de storm woest in zijn oren gierde, brulde hij met schorre stem zijn zelfontworpen mantra: ‘een twee, een twee, Sonja Bakker weg er mee.’ En door stampte hij, altijd maar door.

Langzaam viel de avond over de wereld en die eenzame wandelaar, wrokkig op de lange weg naar zijn gelijk en zijn slanke lijn.

Wolkenlucht_donker_2

Verhaal en foto @ Plato 2007
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Fictieve verhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s