Boze bovenmeester

‘En nu allemaal zitten,’ zei de meester van Z. met boosaardig gezag zodat iedereen wel voelde dat je maar beter kon doen wat hij zei.  Want wij wisten: hij was niet te beroerd je met bedrijfsrekenen of wiskunde genadeloos onderuit te halen.
Eigenlijk hoefde hij zijn mond niet eens open te doen. Alleen zijn oogopslag al en die borstelige wenkbrauwen onder dat dik-zwarte montuur gaven hem een aureool van woedende onaantastbaarheid. Er was maar weinig voor nodig om hem in kwaadheid te doen uitbarsten. De voorboden daarvan waren zijn, door de brillantine gevette, haren die piekerig voor zijn ogen schoven zodat hij ze telkens met een driftige beweging weer weg moest slaan.

Hij spleet de klas door zijn houding van meet af aan in drie groepen. De eerste was de groep sterken (zij waren redelijk tot goed in de vakken die hij gaf en konden zich daardoor iets meer permitteren). De tweede groep (en daar behoorde ik bij) voelde feilloos aan dat het zaak was om de lessen zo onzichtbaar mogelijk bij te wonen en het lesmateriaal goed voor te bereiden.

De derde groep waren de, wat hij noemde, zwakke broeders. Daar schaarde hij ook de meisjes moeiteloos onder. Tot deze groep behoorde ook Roosje. Ze was niet goed in bedrijfsrekenen en zou het nooit worden. Op een dag moest zij de definitie van het soortelijk gewicht opnoemen. Roosje kon dat niet. ‘Morgen vraag ik het je weer, klein dom meisje, net zo lang tot je het weet. Ja, kinderen, luister goed, dit wicht hier kan nog niet eens de definitie van het SG opzeggen. Kijk haar maar eens goed aan. ‘Roosje keek met een rood gelaat voor zich heen terwijl de groep  zwakke broeders in een laf lachen uitbarstte. De andere groepen zwegen. Want wisten zij die definitie wel?

De volgende dag vroeg hij het weer aan Roosje. Ze zegde de definitie op. ‘Je hakkelt me nog teveel,’ riep van Z. uit. ‘Morgen weer.’ Roosje lachte maar wat. Zo heeft hij dat ruim drie maanden met haar volgehouden. Daarna hoefde het niet meer. Want Roosje, het dappere 15 jarige meisje met de eeuwige glimlach, stortte in. Later hoorden we hoe ze thuis alleen nog maar huilde, er niet meer tegen kon. Nog later zag ik haar eens in de bakkerij van het dorpje waar ze woonde. Ze hielp klanten met een glimlach. Maar haar opleiding heeft ze nooit afgemaakt.

Het was de zomer nadat wij de opleiding hadden afgerond. Ik fietste met mijn ouders door het centrum van Castricum. Wij moesten wachten voor de spoorwegovergang. Naast ons kwamen andere fietsers aan. Er ging een schokje door me heen. Want daar stond hij, meester van Z. Hij had zich zojuist omgedraaid en aaide met een vermoeide glimlach het haar van een klein, zwaar gehandicapt jongetje dat in het zitje was vastgesnoerd. ‘Dag meester,’ zei ik bedeesd. Hij keek me aan en zei zacht: ‘hallo Wim.’ Daarna zette de colonne fietsers zich weer in beweging. Wij gingen naar rechts, van Z naar links.

Volkomen van mijn stuk reed ik door. Was deze meester met die verdrietige glimlach, dezelfde als degene die ons vier jaar lang als grofvuil had behandeld? Ik kon het niet geloven.

Nu tweeënveertig jaar na dato, voel ik nog dezelfde verwarring. Maar vraag mij niet naar de definitie van het soortelijk gewicht.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in verhalen non fictie. Bookmark de permalink .

Een reactie op Boze bovenmeester

  1. Ik een vermoed dat het met de man gaat zoals met de meesten van ons: we worden ouder. WIe weet heeft ie wel last van een schuldgevoel.
    Dag SG heb ik geblokkeerd 🙂

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s