Vader: graf

Ik was nog een kind dat veel in de wereld niet begreep. Een kind dat niet snapte waarom zijn vader was zoals hij was. Pas veel later begon ik te vermoeden. Maar weten, nee dat deed ik nooit.
Het is 1952. Ik ben ruim vier jaar. Ik loop aan de hand van mijn moeder over de Nassaukade in Amsterdam. Mijn vader loopt een eind bij ons vandaan, precies op het randje van de brede kade.

Pas op nou, roept mijn moeder, doe niet zo raar, straks val je nog in het water.
Mijn vader lacht schamper. Wat maakt dat nou uit, roept hij cynisch terug, jullie zien me toch liever dood. Ik kijk hem geschrokken aan.
Let maar niet op je vader,zegt mijn moeder en geeft een kneepje in mijn hand.

Ik ben een jaar of negen. Hebben mijn ouders hun zoveelste ruzie achter de rug? Ik weet het niet. Maar opeens hoor ik mijn vader met een verwijtende klank in zijn stem zeggen:
Ja en op een dag verdwijn ik zo maar, door een gat in de heg. En niemand zal dan ooit nog een spoor van mij kunnen terugvinden, nooit meer. Het klinkt alsof hij zeggen wil: eerst dan zullen jullie weten wat je me hebt aangedaan. Dan pas zullen jullie me waarderen. Ik voel de stemming als een loodzware jas om mijn schouders.

Ik ben vijfenvijftig jaar.
Ik sta aan een graf dat geen graf is.
Daar ligt hij.
Bijna geheel volgens zijn eigen profetie.
Eenzaam en verlaten.

 

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Familieverhalen. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s