Goedendag

Het was 10 juli van het jaar 1302.
Gevieren zaten ze om het kampvuur. Pieter, Arnold en de iets jongere Hendrik en Jan. Natuurlijk ging het gesprek over morgen, de dag dat ze zouden optrekken tegen het Franse leger aan de andere zijde van de Groeningebeek.
Van Ieper waren ze, jongens nog, maar met vuur in het hart voor Vlaanderen. Ze spraken over de strategie zoals bevelhebber Pieter van Belle deze aan hen had medegedeeld. ‘Mannen,’ had hij gezegd (de wangen van de jongens gloeiden bij het horen van dit woord), ‘mannen, morgen opereren wij van Ieper aan de rechterflank. Wij zullen man tegen man moeten vechten tegen de manschappen van het Franse garnizoen te Kortrijk. We zullen de burcht bewaken met ons leven. Wij zullen overwinnen. En denk er om, wij maken géén gevangenen. ‘De jongens knikten. Zij begrepen. De Fransen zouden óók geen genade kennen. Tenslotte had van Belle hen gezegd hoe belangrijk ze waren in de komende strijd. Daarna had hij Pieter en Arnold de hellebaard en Hendrik en Jan de goedendag als wapen toegewezen.

Die nacht deden de jongens geen oog dicht.

Het was middag. De zon scheen fel. Het was doodstil. De strijders lagen in de bosjes en keken gespannen naar de Burcht. Dielag er zo rustig bij dat het leek alsof er geen vijand in de buurt was. ‘Ze komen er niet uit’, zei Hendrik, terwijl hij van de zenuwen korte kuchjesvoortbracht.. ‘Ze komen’, de zekere stem van Arnold haalde hen weer uit hun lethargie. ‘En ALS ze komen doen ze dat in één keer. Blijf alert. Het gebeurt als je er niet op verdacht bent.’  De kleine Jan slikte, tastte naar zijn goedendag en dacht aan zijn broertje waar hij een paar weken geleden nog meespeelde. Dat kleine joch, zou hij hem ooit…hij kon zijn gedachte niet afmaken. Opeens waren ze er. Ze stormden op hun paarden recht op de bosjes af. Iemand schreeuwde ‘haken, haken.’ Hendrik en Jan stormden achter Pieter en Arnold aan die behendig met de haak van hun hellebaarden naar de vijand staken. Daar stortte er een ter aarde. Hendrik snelde op hem toe en diende hem een slag met de goedendag toe. Met een vreemde knik van zijn hoofd gaf de Fransman de geest. Er viel geen woord.

Ze zagen niet hoe op de linkerflank de Fransen genadeloos in de pan werden gehakt. Ze zagen niet de wrede strijd die zich in het centrum afspeelde. Ze zagen niet het lijk van Robert II van Artois, de gehate Fransman, dat van het slagveld werd afgevoerd onder daverend gejuich van de Vlamingen.
Pas later, toen de vijand tot de laatste man was gedood, kwam de rust en de rede terug. Doodmoe en vol verwondingen  kwamen Pieter, Arnold en Hendrik weer bij elkaar aan het kampvuur. Maar ze lachten niet. Hun ogen stonden vol tranen. Want zojuist hadden ze hun vriend, de kleine Jan, zijn ogen altijd zo vol levenslust, met gespleten schedel op het slagveld teruggevonden. In zijn ene hand de bebloede goedendag en in zijn andere een gulden spoor die hij had opgepakt van het slagveld. Een onachtzaamheid die hem het leven kostte.

Twee weken later legden ze de gulden spoor huilend in de handen van Jans kleine broer.

Dit bericht werd geplaatst in verhalen fictie. Bookmark de permalink .

Ja, schrijft u maar.....

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s