Wat vind je op Platoonline?

Korte, fictieve verhalen (Plato, Tuinier)
Gedichten (Plato)
Spirituele overpeinzingen (K. At)
Kritieken (Cornelis Critieck)
WE-300 (een maandelijks schrijfuitdaging)

De WE- 300
Wie? Iedereen mag meedoen
Doel? schrijf een fictief verhaal van precies 300 woorden.
Onderwerp:  een woord dat maandelijks door Plato wordt opgegeven.
Dit woord: mag niet in het verhaal voorkomen.
Schrijf: gewoon op je eigen blog.
Zet  een link bij Plato: in het reactieveld) dan krijg je meer lezers.
Voor wie alleen wil lezen: geef de schrijvers een reactie. Vinden ze leuk.

Link naar de WE van juli 2016

LEESTIP van Plato
Lees hier de avonturen van Miet en Griet, twee avontuurlijke zandvlooien.
Krijgt u geen spijt van want ze zijn werkelijk kostelijk.
http://ferrara-mietengriet.blogspot.nl/

 

 

 

 

 

Geplaatst in verhalen fictie

Wat er met Plato is gebeurd

Het is zaterdagavond (28-1-17) rond half acht. We zitten rustig te eten, niets aan de hand als, plotseling mijn hart als een razende tekeer begint te gaan. Het doet geen pijn, ik ben niet duizelig maar ik voel: dit is niet goed. Ik waarschuw Maria en we gaan in grote snelheid naar het Virga Jesse Ziekenhuis in Hasselt.
Na wat kort onderzoek krijg ik een roesje en raak even weg. Als ik bij kom is het hart normaal. De defibrillator heeft zijn werk gedaan en mijn hart doet weer gewoon. De dokter spreekt zijn verwondering uit over het feit dat ik steeds bij kennis was en zegt dat ik moet blijven voor onderzoek. Even later lig ik op Cardio Intensive Care. Het dringt maar nauwelijks tot me door wat er nu eigenlijk gebeurd is.
De dagen daarna blijft het hart het doen, hoewel de bloeddruk en het hartritme extreem laag is (in rust plm 28). Ik krijg een fietstest die goed verloopt, Ik krijg een coronair onderzoek  waaruit blijkt dat hartspier en aderen in goede conditie zijn. Tenslotte krijg ik een MRI test en dan blijkt dat ik links op het hart een groot litteken heb (zoiets loop je bijvoorbeeld heel simpel op door een verkoudheid die op het hart slaat). Dit is de oorzaak van het op hol slaan van het hart (met een mooi woord: ventriculaire fibrillatie).
In de dagen daarna leer ik dat de oplossing van het probleem is: ablatie: het van binnenuit wegbranden van het litteken. Een paar dagen later (nadat ik op een dag 5 keer zo’n aanval heb gehad) krijg ik versneld deze ablatie en is het directe gevaar geweken. Om mij nog extra te beschermen krijg ik bovendien een Implanteerbare Cardioverter Defibrillator (ICD) geïmplanteerd die optreedt als er toch weer zo’n aanval zou komen en die tevens mijn lage hartritme in de nachtelijke uren in de gaten houdt cq. eventueel een beetje bijtikt indien nodig.

Heel verhaal hè? Nu krijg ik vandaag, of morgen, deze ICD en dan mag ik hier weg. Het schijnt dat het een flinke tijd duurt voordat je aan al die veranderingen gewend bent, maar komaan, Willem / Plato / Tuinier ze zijn er nog en gaan moedig voorwaarts gesteund en geholpen door Maria die er al die tijd liefdevol bij was.

Rest me nog te zeggen dat de sfeer, de hulp en de expertise in het Virga Jesse ziekenhuis me bijzonder aangenaam heeft getroffen. Toen ik pijn had, kreeg ik hulp en verlichting. Toen ik verdrietig was kreeg ik echt menselijke steun en als ik straks wegga is dat met grote dankbaarheid in dat hart, dat het nu nog steeds doet.

En dan tenslotte: wat heerlijk, al die tekenen van medeleven die jullie mij gaven, Ria die jullie op de hoogte hield, mijn zoon die voor mijn huis en de kat zorgde, mijn dochter die er op het juiste moment was… ach, nog veel meer…. het waren voor mij welkome opkikkertjes. Ik voel me bevoorrecht met zoveel warmte om me heen. Dank jullie wel.

Willem, mede namens Plato, Tuinier, Cornelis, Jordy en ja… zelfs Kat (die alles thuis heeft overleefd) geeft jullie een oprecht miauwtje.

icd

Geplaatst in verhalen non fictie | 63 reacties

Kat overdenkt een strategie

Het gaperige bolletje wol dat al ruim 15 jaar Kat heette, draaide zich, op de vensterbank, abrupt om en stootte bijna een varen tegen te vlakte. Hij mauwde licht, want iets in zijn lijf zat niet helemaal lekker. Dan lag hij net even prettig te dromen van poesjes met glanzende vachten en hup, schoot er zo’n vies pijntje door hem heen.
Hij opende de ogen en spiedde rond.
Geen bediening te bekennen.
Traag sprong hij de nachtelijke kamer in, wandelde door naar de gang, schreed de trap op en ging, zoals gewoonlijk, verschrikkelijk in de weg liggen op de achtste trede.
Kat dacht na. Het was bijzonder prettig te weten wat er rond acht uur zou gaan gebeuren. De slaapkamerdeur zou met een kraakje openspringen, Plato zou wat onduidelijke dingen doen in de badkamer (wat je daar nu precies moest had Kat nooit begrepen), zich daarna op het gangetje aankleden en vervolgens met zijn slaperige kop de trap afstrompelen. Bij die achtste trede zou hij even grommen en daarna Kat (die zich dit gaarne liet welgevallen) met zijn rechtervoet langzaam naar beneden schuiven.
Het luisterde heel, heel nauw. Deed hij het te vroeg of te laat, dan verdween Plato, beneden aangekomen, de woonkamer in. Maar als hij, precies op het moment dat zijn pootjes de vloer van de gang aantipten, op de juiste toonhoogte en met de staart strak omhoog, klagelijk zou beginnen te mauwen, dan was het nagenoeg zeker dat Plato achter hem aan de keuken in zou stappen om hem te voorzien van een mooi vol bakje voer. Kat zou het voor 95% leegvreten en de rest laten staan. Waarom? Tja, dat hoorde gewoon zo.
Kat gaapte tevreden en sloot zijn ogen. Zo ging het. En daarna zou hij de tuin in gaan om die eens lekker vol te pissen.

 

Geplaatst in verhalen fictie | 27 reacties

Oppervlakkig gezien

‘Zeg Tuinier, moet je eens kijken… kijk dan!’
‘Wat moet ik zien?’
‘Die vrouw daar, met die zwarte hond.’
‘O die, mmm ja?’
‘Dat lijkt me nu echt zo’n chagrijnig grijs duifje zonder gevoel voor ehh, nou bijvoorbeeld kunst.’
‘Hoe kom je daar bij, Cornelis? Lees je dat van haar gezicht af?’
‘Dat zegt mijn mensenkennis. Die houding zegt me, dat is geen positief mens met een brede belangstelling en…’
‘Wacht even. Meen jij dat je dat echt aan iemands buitenkant kan zien?’
‘Natuurlijk.’
‘En je vergist je nooit?
‘Nooit gaat misschien wat ver, maar toch zeker 98%. Maar ben jij het dan niet met me eens?  Heb jij niet heel vaak dat je denkt: dat type ken ik?’
‘Cornelis, ik ben een bloemkoolfilosoof. Maar de tuin heeft me in al die jaren geleerd goed te kijken naar wat ik uit de grond trek. Oppervlakkig gezien lijkt het vaak allemaal onkruid maar als je je kop er niet bijhoudt, trek je zo maar de mooiste planten uit de grond.’
‘Dus jij zegt dat ik maar wat sta te kletsen?
‘Nee, alleen dat je voorzichtig moet zijn met conclusies. En misschien kun je, als het om mensen gaat, wel nóóit werkelijk conclusies trekken.’
‘En waarom wel niet? Ik ben toch vrij om….’
‘Omdat je nooit voldoende van iemands achtergrond en dus zijn innerlijk, kunt weten.
‘Ha, dan zou je dus eigenlijk nooit iemand helemaal kunnen beoordelen?’
‘Dat zeg ik.’
‘Dan ben je inderdaad een bloemkoolfilosoof, Tuinier.’
‘Dank je, ik ben er gek op. Maar ondertussen kan ik je wel bewijzen dat ik gelijk heb.’
‘Tssss, hoezo?
‘Nou, dat chagrijnige grijze duifje is namelijk een verdomd aardige, motiverende lerares Nederlands op een HAVO hier in de buurt.
‘!@#%@#%@%………..’
‘Waarom loop je nou weg, Cornelis? Ik dacht: hij helpt wel even met het onkruid, Cornelis!!…’ 

Geplaatst in Algemeen | 60 reacties

Herinnering

Merkwaardig hoe geuren, geluiden, gebeurtenissen of opmerkingen je plotseling naar het verleden kunnen katapulteren, snel, geluidloos, op een wijze waarvan je later denkt: hoe kwam ik dáár nu op?
We waren bij vrienden. Het was gezellig en de gesprekken waren van een onbezorgdheid die nog maar nauwelijks strookt met de gemiddelde teletekstberichtgeving.
Sprak iemand een zin, een woord, was het iets anders? Geen idee, maar plotseling was ik 64 jaar terug in de tijd en stond als 4-jarige Plato voor een keukenspiegel  in een hevig bloedende keel te staren.

Bij dit beeld horen de volgende herinneringsfragmenten:

  • Ik, enthousiast fluitend op een pas gekregen blikken rood-blauwfigurige fluit (was dat mama die zuchtte: ‘nu maar weer even niet Plaatje’?)
  • Moeder die overstuur heen en weer rent
  • Vader die zijn woede koelt door het instrument op zijn knie in tweeën te breken
  • Mijn ouders en ik in tram 4 (haarscherp beeld) op weg naar het ziekenhuis.
  • Een behandelkamer, ik op een ligstoel, een arts met mondkapje zegt: ‘rustig maar, rustig maar.’

Waarom herinner ik me alleen secundaire fragmenten? Waarom zijn er geen herinneringen van het ongeval, de doktersbehandeling, de afloop?
Had ik pijn, was ik bang?
Waarom worden de persoonlijke emoties (die ik vast had) niet met mijn herinneringen meegeleverd? (Later vertelde mijn moeder dat ze van de dokter een standje hadden gekregen omdat ze een klein kind niet zulk gevaarlijk speelgoed hadden mogen geven.  De toedracht zelf is me nooit duidelijk geworden).

Terug- en doordenkend frapperen mij steeds twee elementen:

  • Er was kennelijk ruimte om naast het ervaren van de gevolgen van de gebeurtenis tot een soort objectieve waarneming te komen (kijk, kijk, vader vernielt mijn fluit), alsof ik op dat moment uit twee personen bestond. Iets om over na te denken.
  • Er is een herinneringsselectie gemaakt waarbij de scherpe kanten sneuvelden. De nasleep werd kennelijk als niet interessant genoeg afgeserveerd. Maar hoe werkt zulks?

Enfin, een stukje zonder antwoorden maar met des te meer vragen. Ook wel eens leuk.

Hebben jullie ook dergelijke ervaringen? geheugen

Geplaatst in Algemeen | 31 reacties

WE-300: Ontgroenen

Zijn hemd was bespat met zwarte vlekken.  Zijn gezicht was rood van inspanning. Hij merkte het niet. Al werkend waren zijn gedachten omsloten door een dof verleden.

‘Kijk toch, helemaal verpest. Ben jij nou negen?  Kleuter! Stop maar, jij wordt nooit wat,  TALENTLOZE LUL!’
De jongen voelde zich leeg. Vader had altijd gelijk, al was het alleen maar vanwege zijn enorme stemgeluid, gekoppeld aan de vreselijkste verwensingen. Toen hij kleiner was, had hij er eens om gehuild. Maar dat had hij afgeleerd nadat vader neerbuigend had geroepen dat zijn zoon een huilebalk en…  een meid was.
Dit was de tendens van zijn jeugd. Hij had al vroeg leren zwijgen.

Hij keilde het lege verfblik in de struiken. Daarna rustte hij even op een boomstronk en keek gelaten naar de boszoom waar de gevorderde schemering alle kleur uit bomen en struiken leek te hebben getrokken. Daarna opende hij het laatste blik en ging weer als bezetene aan de gang. Het moest vandaag af.

Ondanks vader, slaagde hij moeiteloos voor het Vwo-eindexamen. Kort daarna begon  zijn studie aan de Rijksacademie voor beeldende kunst.
‘Had je niks beters  kunnen kiezen?’ had zijn vader gesneerd. ‘Tekenen is voor homo’s en halve zolen, dat weet je toch?’
Maar hij zette door, behept met zware bewijsdrift.

Vreugdeloos bekeek hij het resultaat,voelde enige wroeging. Maar dan verstrakte hij bij het denken aan vaders smalende woorden, gistermiddag, vlak nadat hij zijn studie met succes had beëindigd: ‘zo kunstenmaker, wanneer ga je nou een VAK leren?’
Het was de druppel.

Die zaterdag stond een hulpeloze vader voor zijn voorheen zo groene zomerhuisje met de wit-rood gelakte luiken. Het zag hem letterlijk en figuurlijk zwart voor de ogen.
Na enige tijd zag hij het bordje aan de deurklink. Met opengesperde ogen las hij:
‘Je zoon heeft een vak… hij is schilder.’

Plato © juli 2016
Geplaatst in WE-300 | 34 reacties

We gáán naar de Ardénnen!!

Wij gaan morgen voor een klein weekje naar de Belgische Ardennen.
Google even op het plaatsje Barvaux, daar zitten we straks in een huisje,
halverwege een Ardèn.
Gelukkig staat het waterpas dus we gaan het leuk hebben daar, tenminste, dat moet haast
wel gezien het liedje dat Herman Finkers er ooit over schreef.

We gaan naar de Ardennen…
De frisse lucht is even wennen…
Vooruit met frisse tred
Het eerste couplet… etc.

Jullie hebben het vast wel eens gehoord. Zo niet, het staat hier ook onder als een soort uitgestelde zwijmel.

Na dat weekje ga ik (heb ik me voorgenomen) weer meer schijven want de inspiratie begint weer wanstaltige vormen aan te nemen. 
Natuurlijk kan ik jullie niet zonder WE-300 laten zitten. Maar word dus niet gramstorig als ik niet onmiddellijk linkjes zet want dat weekje op die Ardèn heb ik geen internet.

 

De WE voor de maand juli is:

Ontgroenen


Ik hoor nu al mensen mompelen; “wat een woord, wat moet ik daar nu mee?” 🙂 Maar denk daarbij dat het altijd weer lukt. Tenslotte komen hier altijd linken naar de mooiste verhalen.

Veel plezier allemaal
en tot over een weekje.

Inmiddels verschenen:

Melody    Toet@Rozi    Corja    Ria    Myriam    Mrs T.    Ajroc
Marja    Ferrara    Dwarsbongel    Jackles    Plato    Kakel    AnneMarie
Rebelse

 

 

 

Geplaatst in WE-300 | 43 reacties

WE-300: Musiceren

“KAT!”
Kat opende moeizaam zijn linkeroog,  rook suffig aan het dekbed en richtte zich traag op. Dan sprong hij stijfjes op het koele vinyl en drentelde gramstorig de trap af. Beneden klonk het uitdagende getik van een lepeltje op een stalen bakje.

Hij ging niet sneller lopen.
“KAT!”
Zing het maar, meesmuilde Kat. Mensen… altijd haast. Enfin, geen aandacht aan schenken.
Toch maakte een onbedwingbare snuffelbehoefte dat hij even later gulzig zijn bakje leegvrat. Vreemd, dacht hij onderwijl, in al mijn vijftien jaren heb ik zowel mijn ratio als mijn filosofisch inzicht toch aardig ontwikkeld. Maar zodra  mijn hypothalamus een hongergevoel afgeeft lijkt al het hogere wel te moeten wijken.
Terwijl hij zorgvuldig het bakje schoonlikte, bedacht hij dat dit plotselinge inzicht ook gold voor  vachtreiniging. Ga maar na, hij zou straks, tussen de sanseveria en de cissus op de vensterbank springen. Na wat wrikken en wroeten zou hij zich rustig kunnen overgeven aan zijn liefste bezigheid: het verder ontwikkelen van zijn filosofisch systeem. Maar nee, want zodra hij zich had genesteld was daar, hup, die onbedwingbare behoefte om, met één poot boven de kop, zijn eigen staart te gaan zitten likken.
Ongewild weliswaar, maar het gebeurde… altijd.
Dit leidde derhalve tot een belangrijke levensvraag:

hoe komt het dat het hogere leven van de kat zo storend
gedomineerd wordt door zijn lagere driften?

Hij schoof juist de plantenpot met zijn lijf opzij toen er een gitaargejank van jewelste klonk.
“Stik,” jankte Kat giftig. “Over lagere driften gesproken. Binnenkort weer zo’n snorrenkrakend buurtoptreden. Ik geloof warempel dat die levensvraag#@%@#%  voor mensen belangrijker is dan voor katten.”

Even zweeg de gitaar.
Een hand beroerde Kat’s kop.
“Wat zit jij je vacht mooi te maken, Kat; krijgen we visite?”
Kat wilde minachtend wegkijken.
Maar hij kopte toch terug.
Het was sterker dan hijzelf.

Geplaatst in WE-300 | 53 reacties